Hoofdstuk 1: Variabelen

← Terug naar overzicht

Variabelen aanmaken en instellen

Een variabele is een stukje geheugen, met een naam, waar je iets in op kunt slaan. In JavaScript maken we een variabele aan met het commando let. Om bijvoorbeeld een variabele met de naam a aan te maken, gebruiken we de code:

let a;

Om iets in een variabele op te slaan, gebruiken we het = teken.

let a = 3;

Deze code maakt de variabele a aan en stopt er het getal 3 in. Je hoeft (en MAG) een variabele maar één keer aan te maken. Als je eerder in je code let a hebt staan, en je wilt een nieuwe waarde opslaan in a, doe je dat zónder let:

let a = 3;  // Maakt de variabele aan
a = 10;     // Stelt dezelfde variabele in op een nieuwe waarde

Oefening 1

Maak een variabele a aan, en stop er het getal 10 in.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele b aan, en stop er het getal 15 in.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele c aan, stop er het getal 20 in. Overschrijf de waarde in de regel eronder met het getal 25.

Jouw code:

Oefening 4

Maak een variabele leeftijd aan met de waarde 18.

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele score aan met waarde 100. Verhoog de score met 50 in de volgende regel.

Jouw code:

Variabelen gebruiken

Nadat je een variabele hebt aangemaakt, kun je hem op andere plekken in je code gebruiken.

let username = 'Jason Bourne';
console.log(username);

De code hierboven zal Jason Bourne in de console tonen.

Let op: De code die je in deze oefeningen typt wordt niet echt uitgevoerd, dus je zult géén resultaat in een console zien. De code wordt alleen gecontroleerd op correctheid.

Een veelgebruikt patroon is dat je variabelen gebruikt bij het aanroepen van een functie. Een functie die je veel gaat gebruiken is console.log() - die functie toont de uitvoer in de console van je browser.

Hieronder zie je een voorbeeld van hoe je variabelen gebruikt in combinatie met console.log():

let username = 'Jason Bourne';
console.log("Hallo " + username);

Deze code zal Hallo Jason Bourne tonen in de console.

Oefening 1

Maak een variabele naam aan met de waarde 'Alice'. Toon deze variabele in de console met console.log().

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele getal aan met waarde 42. Toon de tekst 'Het getal is: ' gevolgd door de variabele in de console.

Jouw code:

Oefening 3

De variabele stad is al gemaakt. Toon deze variabele in de console.

Jouw code:

Oefening 4

De variabele leeftijd is al gemaakt. Toon deze variabele in de console.

Jouw code:

Oefening 5

De variabele product is al gemaakt. Toon deze variabele in de console.

Jouw code:

Oefening 6

De variabele score is al gemaakt. Toon de tekst 'Je score: ' gevolgd door de variabele in de console.

Jouw code:

Oefening 7

De variabele gebruiker is al gemaakt. Toon de tekst 'Welkom ' gevolgd door de variabele in de console.

Jouw code:

Oefening 8

De variabele temperatuur is al gemaakt. Toon de tekst 'Het is ' gevolgd door de variabele en de tekst ' graden' in de console.

Jouw code:

Rekenen met variabelen

Je kunt ook rekenen met variabelen. Als een variabele een getal bevat, kun je er wiskundige bewerkingen op uitvoeren.

let a = 10;
let b = 5;
let som = a + b;  // som krijgt de waarde 15

Oefening 1

Maak een variabele a aan met waarde 15 en een variabele b met waarde 21. Maak een variabele c die de som van a en b bevat.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele x met waarde 100 en een variabele y met waarde 25. Maak een variabele verschil die x min y bevat.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele prijs met waarde 50. Maak een variabele kortingPercentage met waarde 20. Bereken de korting en sla deze op in variabele korting. Toon de korting in de console.

Jouw code:

Oefening 4

De variabelen getal1 en getal2 zijn al gemaakt. Maak een variabele totaal die de som van beide getallen bevat.

Jouw code:

Oefening 5

De variabelen start en punten zijn al gemaakt. Verhoog start met punten en sla het resultaat op in een nieuwe variabele nieuwScore.

Jouw code:

Oefening 6

De variabelen aantal en prijs zijn al gemaakt. Bereken de totaalprijs door ze met elkaar te vermenigvuldigen en sla op in totaalprijs.

Jouw code:

Oefening 7

De variabelen budget en uitgaven zijn al gemaakt. Bereken hoeveel er overblijft en sla op in resterend.

Jouw code:

Oefening 8

De variabelen totaal en aantal zijn al gemaakt. Bereken het gemiddelde door totaal te delen door aantal en sla op in gemiddelde.

Jouw code:

Oefening 9

De variabelen lengte en breedte zijn al gemaakt. Bereken de oppervlakte van een rechthoek en sla op in oppervlakte. Toon het resultaat in de console.

Jouw code:

Datatypes

In JavaScript kunnen variabelen verschillende soorten data bevatten. De belangrijkste datatypes zijn:

Numbers (getallen): Alle getallen, zowel gehele getallen als kommagetallen.

let leeftijd = 25;
let prijs = 19.99;
let temperatuur = -5;

Strings (tekst): Tekst tussen aanhalingstekens (enkele of dubbele quotes).

let naam = 'Alice';
let bericht = "Hallo wereld";

Booleans (waar/onwaar): De waardes true of false.

let isActief = true;
let heeftPremium = false;

Undefined: Een variabele zonder waarde.

let x;  // x is nu undefined

Je kunt het datatype van een variabele controleren met typeof:

let getal = 42;
console.log(typeof getal);  // toont: number

Oefening 1

Maak een variabele getal aan met de waarde 100 (een number).

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele naam aan met de waarde 'Jan' (een string).

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele isStudent aan met de waarde true (een boolean).

Jouw code:

Oefening 4

Maak een variabele temperatuur aan met de waarde -10 (een negatief getal).

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele stad aan met de waarde "Amsterdam" (gebruik dubbele quotes).

Jouw code:

Oefening 6

Maak een variabele kommagetal aan met de waarde 3.14.

Jouw code:

Oefening 7

Maak een variabele heeftRijbewijs aan met de waarde false.

Jouw code:

Oefening 8

Maak drie variabelen: voornaam met waarde 'Marie', leeftijd met waarde 30, en isGetrouwd met waarde true.

Jouw code:

Oefening 9

Maak een variabele score met waarde 0 en een variabele spelerNaam met waarde 'Player1'. Toon beide in de console.

Jouw code:

Oefening 10

Maak een variabele bericht met de waarde 'Score: ' en een variabele punten met waarde 150. Toon ze samen in de console.

Jouw code:

Oefening 11

Maak een variabele isOpen met waarde true. Verander de waarde naar false in de volgende regel.

Jouw code:

Oefening 12

Maak een variabele prijs met waarde 25.50 en een variabele btw met waarde 21. Bereken het btw-bedrag (prijs × btw / 100) en sla op in variabele btwBedrag.

Jouw code:

Oefening 13

Maak een variabele woord1 met waarde 'Hallo' en woord2 met waarde 'wereld'. Maak een variabele zin die beide woorden combineert met een spatie ertussen.

Jouw code:

Oefening 14

Maak een variabele getal1 met waarde 10, getal2 met waarde 20, en getal3 met waarde 30. Maak een variabele gemiddelde die het gemiddelde van de drie getallen bevat.

Jouw code:

Oefening 15

Maak een variabele tekst met waarde 'JavaScript'. Maak een variabele versie met waarde 2024. Toon beide samen in de console als: 'JavaScript 2024'.

Jouw code:

Constanten met const

Naast let kun je ook const gebruiken om een variabele aan te maken. Het verschil is dat een variabele die je met const aanmaakt niet meer veranderd kan worden na de eerste toewijzing. Dit noemen we een constante.

const pi = 3.14159;
pi = 3.14;  // FOUT! Dit geeft een error

Gebruik const wanneer je zeker weet dat een waarde niet meer hoeft te veranderen. Dit voorkomt bugs in je code.

const maxScore = 100;
const appNaam = 'MijnApp';

Als je een waarde wél moet kunnen veranderen, gebruik dan let in plaats van const.

Oefening 1

Maak een constante maxLeeftijd aan met de waarde 120.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een constante bedrijfsnaam aan met de waarde 'TechCorp'.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een constante aantalDagen met waarde 7 en een variabele huidigedag met waarde 1.

Jouw code:

Oefening 4

Maak een constante btw met waarde 21 en een variabele prijs met waarde 100. Bereken de totaalprijs (prijs + prijs × btw / 100) en sla op in een variabele totaal.

Jouw code:

Samenvatting

In dit hoofdstuk heb je geleerd: